Search

participatory sense-making

the enactive approach to intersubjectivity

Author

Hanne De Jaegher

Hanne De Jaegher, researcher of inter-subjectivity. See the about me page.

Towards a humane science of intersubjectivity

The theme of this year’s Mind and Life Summer Research Institute (June 6–11) was “Intersubjectivity and Social Connectivity”. It was an amazing meeting. What struck me most were, first, the great diversity and interest of the people there and their research and humanitarian work. And second, the most important theme in my view, which unfolded over the course of the week: inclusivity and social justice.

The meeting helped me realize once more how invisible an issue this still is in cognitive science and philosophy of mind. The question isn’t only: who gets to do the research, who has a voice in the world of knowledge, but it is also: which kind of cognition, which kind of subject, which kind of body, who is our science about?

In cognitive science and philosophy of mind we still often—and mostly without realizing it—start from the idea that there is one cognition, one body, universal and for all. This goes for traditional cognitive science, but also for embodied approaches, and also for enaction. Even though enaction, I think, has the keys in hand to crack open the hegemony of the white, Western and mostly male body. We do this by asking: Why does something mean something for someone, in this situation? What is at stake for this person or creature here?

This someone is the someone we are interested in, the someone we are studying, the someone we engage with as researchers, and to whom we have a responsibility—a responsibility of true recognition: whether a basic living system like a cell or a plant, menstruating women, a piano student-teacher pair, a person with autism in their different social circles, a group of rowers, an addict, a client and therapist, indigenous people attempting to be heard by government, and so on.

We are only beginning to see that cognition, nor embodiment are universal and that, in fact, there are billions of different bodies.

Here is an interview with me on the occasion of this meeting, where I spoke about my new work(-in-progress) on love and enaction, which—I increasingly realise—has to be inclusive too.

Deelnemend zin-geven

Deze tekst is verschenen als:
De Jaegher, H. (2016). Deelnemend zin-geven. Een wetenschappelijke basis voor genuanceerde interacties (PDF van voorpublicatie hier). Systeemtheoretisch Bulletin, 34(2), 121-138.

Deelnemend zin-geven.
Een wetenschappelijke basis voor genuanceerde interacties
Hanne De Jaegher*

Samenvatting:

Voor systeemtherapeuten is het werken met mensen-in-interacties dagelijkse kost, maar in de cognitie- en geesteswetenschappen is het een relatief nieuw idee. Daar wordt er meestal van uitgegaan dat cognitie, intelligentie en gedrag individuele aangelegenheden zijn, bovendien terug te brengen tot hersenfuncties. Deze focus heeft ervoor gezorgd dat het moeilijk wetenschappelijk te onderbouwen is hoe en waarom psychotherapie werkt. Net om op deze vragen te antwoorden, helpt het om sociale interacties te kunnen onderzoeken.

Hier introduceer ik een filosofisch-wetenschappelijke benadering die bestudeert hoe mensen deelnemen aan sociale interacties, en hoe ze elkaar en de wereld daarin en daardoor samen begrijpen. In deze theorie, genaamd participatory sense-making – vertaald ‘deelnemend zin-geven,’ spelen lichaam, context, en beleving een centrale rol, alsook het feit dat zowel mensen als sociale interacties voortdurend aan zelf-behoud doen. Aan de hand van voorbeelden leg ik de theorie en haar relevantie voor de systeemtherapie uit.

———

In de introductie tot het Handboek Systeemtherapie schrijven de redacteurs dat “theorie kan gezien worden als het conceptueel instrumentarium van een systeemtherapeut” (Savenije et al. 2014, p. 17). In dit artikel stel ik een nieuwe theorie binnen de cognitiewetenschappen en de filosofie van de geest voor die de systeemtherapeutische theorie en praktijk kan ondersteunen. Ik belicht hieruit een aantal elementen die hopelijk systeemtherapeuten kunnen inspireren.

Eén zo’n onderdeel is de wetenschappelijke benadering van interactieprocessen en hoe mensen elkaar daarin en daardoor begrijpen. Voor systeemtherapeuten is het werken met mensen-in-interacties dagelijkse kost, maar in de cognitie- en geesteswetenschappen is het een relatief nieuw idee. Daar wordt er meestal van uitgegaan dat cognitie, intelligentie en gedrag in de eerste plaats individuele aangelegenheden zijn, en meestal bovendien terug te brengen tot hersenfuncties. Deze individualistische, neuronale focus heeft er, onder andere, voor gezorgd dat het moeilijk wetenschappelijk te onderbouwen is hoe en waarom psychotherapie, en ook systeemtherapie, lijkt te werken. Net om op deze vragen te antwoorden, helpt het om sociale interacties te kunnen onderzoeken. Het is één van de verdiensten van de theorie die ik hier introduceer dat ze dit op een genuanceerde, gelaagde manier mogelijk maakt.

Het wetenschappelijk en filosofisch bestuderen van sociale interacties geeft ‘een poot om op te staan’ in discussies over het nut van psychotherapie, vooral ook wanneer overwegend pharmaceutische of door economische belangen gedreven aanpakken van psychische problemen hoogtij vieren. Het helpt tegenwicht bieden aan reductionistische, neurologische verhalen over psychische fenomenen. De specifieke benadering die ik hier zal bespreken is er bovendien in het bijzonder mee begaan om het menselijke en het intermenselijke in de psychotherapie (maar ook in onderwijs, de medische wereld, enzovoort) te duiden, te onderbouwen, en te onderzoeken.

Deze filosofisch-wetenschappelijke benadering past binnen de denkschool van het enactivisme. Dit is een stroming in de cognitiewetenschappen die een aantal roots gemeenschappelijk heeft met de systeemtheoretische school. Onder andere het werk van Humberto Maturana en Francisco Varela, de twee Chileense biologen en hun theorie van de autopoiese, maar ook de tweede-orde cybernetica en het werk van Gregory Bateson liggen aan de basis van beide gebieden.

Binnen het enactivisme zijn we zo’n tien jaar geleden begonnen met het ontwikkelen van een theorie die in het Engels participatory sense-making heet, vertaald deelnemend zin-geven. Het is deze theorie die ik hier wil beschrijven. Het begrip ‘deelnemend zin-geven’ gaat over hoe we elkaar en de wereld samen begrijpen door hoe we met elkaar bewegen, ademen, leven. Ik begin met uit te diepen wat sense-making/zin-geven betekent, daarna beschrijf ik hoe mensen (en levende wezens in het algemeen) kunnen deelnemen aan elkaars zin-gevingsprocessen. Doorheen de tekst zal ik proberen aan te tonen hoe deze theorie relevant is voor de (systeem)therapie, aan de hand van een paar concrete voorbeelden.

 

1 Zin-geven

1.1 Zin-geven is een kwestie van goesting

Zin-geven (sense-making) is een technische term binnen het enactivisme. Ik zal dit concept uitleggen aan de hand van het Vlaamse woord ‘goesting’. Goesting hebben is de meer lijfelijke, ruwe, aardse vorm van ergens zin in hebben. En ergens zin in hebben is, in zekere zin, een verfijndere vorm van goesting. Zowel goesting als zin hebben zijn zeer intiem verbonden aan wat betekenis heeft en geeft (en het woord ‘zin’ heeft natuurlijk ook precies deze twee betekenissen). Hoezo?

Ik begin met goesting omdat in het enactivisme wordt uitgegaan van een continuïteit tussen leven en kennen, tussen processen van leven en cognitieprocessen. In het Engels verwijzen we naar de life-mind continuity. Dat wil zeggen dat we ervan uitgaan dat processen van cognitie, van de wereld begrijpen, in het verlengde liggen van processen van leven. Er is geen leven zonder goesting. Een levend wezen leeft maar omdat het honger heeft. Een levend wezen heeft practisch altijd honger, heeft altijd trek.

Die honger moeten we zowel letterlijk als overdrachtelijk verstaan. We hebben voedsel nodig om te leven: we moeten in onze noden voorzien, te beginnen op het metabolische niveau. Er moeten materie en energie uitgewisseld worden om onszelf in stand te houden. Dit zichzelf in stand houden, deze zelf-organisatie of autopoiese (Maturana en Varela, 1989), is intrinsiek aan het leven, en maakt de basis uit van levensprocessen. Het maakt ook dat levende wezens een teleologie hebben; dat ze zich ergens naar richten. Levende wezens willen dingen, moeten dingen willen, om in hun levensonderhoud te voorzien. Er is een aanhoudende nood aan de materialen die het levende wezen gaande houden.

Om aan die materialen te geraken, zet het levende wezen zich in beweging. Maar niet zomaar eender welke materialen zijn voedsel voor een bepaald levend wezen. Alleen specifieke dingen komen voor het eten in aanmerking. Sommige dingen zijn voedzaam, andere zijn giftig, nog andere zijn simpelweg irrelevant. Leven gaat dus gepaard met een perspectief op de wereld, op datgene waar het levende wezen zich naartoe of van weg beweegt.

Hier is de verbinding met ‘zin’ in de zin van ‘betekenis’: door de goesting, de honger van het levende wezen, de drift die het in leven houdt, hebben bepaalde dingen zin of betekenis voor het wezen, namelijk als goed of slecht voor het voortbestaan, als ‘dit moet ik hebben’ of als ‘dat moet ik vermijden’. Terwijl op andere dingen de noemer ‘zin’ of ‘betekenis’ niet eens van toepassing is. Die laatste blijven onopgemerkt. Dit verklaart ook waarom de wereld er zo anders uitziet voor verschillende levende wezens. Een mier, een hond, en een mens nemen de wereld anders waar, maar ook tussen twee mensen kan daarin een groot verschil zijn.

De goesting, de levensdrift, is gebaseerd op wat een bepaald(e) (soort) wezen nodig heeft, en gaat samen met lichamelijke, bewegings- en gedragsmogelijkheden. Dit maakt dat wezens een bepaald perspectief hebben, een welbepaalde manier waarop ze de dingen in hun leefwereld begrijpen. We kunnen niet zeggen welke van deze aspecten eerst komt: ze hangen samen en beïnvloeden elkaar voortdurend.

Dit zelf-behoud, de zelf-organisatie, of wat we ook de autonomie noemen van levende wezens, zijn processen die op verschillende niveau’s plaatsvinden. Op al die niveau’s kunnen we spreken van een identiteit die in stand gehouden, afgegrensd, ontwikkeld en veranderd wordt. Zo zijn er de metabolische identiteit, de sensorimotorische identiteit, de neurologische, en de immunologische identiteit, maar er zijn ook de verschillende sociale en existentiële zelven. We onderhouden deze allemaal in voortdurende interacties met de fysische en sociale wereld waarin we ons bewegen. Bovendien verhouden ze zich in allerlei ingewikkelde verbindingen onderling. Het is bijvoorbeeld aangetoond dat rechters tegen het einde van de voormiddag, wanneer ze honger beginnen te krijgen, meer negatieve oordelen vellen (Danziger et al. 2011). Als dit voor rechters geldt, kunnen we ons gemakkelijk inbeelden dat het ook voor anderen zo is. Beroepsmatige beslissingen, hun mogelijke gevolgen, en de metabolische identiteit, zowel als andere aspecten van onszelf, zijn met elkaar verweven.

1.2 Zin-geving is altijd belichaamd

Het klassieke model in de cognitiewetenschap zegt dat het brein werkt zoals een computer, die het lichaam aanstuurt met bevelen. In de hersenen gebeurt alles van belang, het lichaam brengt slechts materialen aan en voert uit. De begrippen die ik hier net heb uiteengezet, gaan in tegen dit beeld. Ze bieden een alternatief voor het computermodel. In het enactieve verhaal staan levensprocessen model voor cognitie. Alleen die processen vertellen ons hoe een systeem of een persoon werkt.

Om te testen of dit ook echt zo is, en hoe dat werkt, doen enactieve cognitiewetenschappers experimenten en maken ze modellen. Het is bijvoorbeeld mogelijk om met robotten aan te tonen dat we voor een bepaalde complexe capaciteit geen grote hersencapaciteit nodig hebben, maar dat dat ook kan op basis van lichaamsbouw en bewegingsmogelijkheden. Zo is er een robot die het verschil kan maken tussen een driehoek en een vierkant, louter op basis van ‘lichamelijke’ en bewegingsstructuren. De robot heeft twee camera’s (‘ogen’), en kan zich bewegen langs een muur waarop verschillende figuren getekend zijn. Omdat delen van de figuren op verschillende momenten worden geregistreerd door ieder van de twee camera’s (dit omdat de camera’s verschillende locaties hebben en de robot zich langs de figuren beweegt), kan de robot de figuren van elkaar onderscheiden. Op deze manier toont deze robot aan dat redelijk ingewikkelde cognitieve capaciteiten zoals categoriseren in principe verwezenlijkt kunnen worden op basis van hoe een lichaam geconfigureerd is. Er is geen ingewikkeld brein voor nodig. Hij kan de figuren van elkaar onderscheiden door hoe hij fysiek in elkaar zit en zich voortbeweegt. Zo’n model vormt daarmee een conceptueel bewijs voor het idee dat cognitie belichaamd is.

Terzelfdertijd zijn er ook manieren om het zelf-behoud uit te leggen, en de adaptaties die zelfs relatief eenvoudige wezens zoals insecten doen om zichzelf in stand te houden. Neem bijvoorbeeld de duikerwants, een insect dat in en op het water leeft. Wanneer het onder water gaat, kan het toch verder ademen door een specifieke aanpassing die hij doet: de wants vat luchtbelletjes tussen de haartjes op het lichaam, en trekt de zuurstof die in die luchtbelletjes zit naar binnen. Ondertussen zorgt het verschil in druk tussen het water en de luchtbelletjes ervoor dat de belletjes onder water niet inklappen, en zo tot wel twintig minuten kunnen dienen als een soort externe long.

Deze voorbeelden maken duidelijk dat er heel wat cognitie en intelligentie zit, niet alleen in het brein, en zelfs niet alleen in het lichaam, maar vooral in lichamelijke processen en in de interacties tussen lichaam en wereld. De wereld begrijpen is bijna letterlijk het kunnen ‘grijpen’ van de wereld, er de vinger op kunnen leggen, er vat op hebben, er mee om gaan.

Zingeving, betekenisverlening, intelligent gedrag is dus altijd een interactief en belichaamd proces, een relatie of een verhouding tussen een belichaamd wezen en haar wereld, vanuit een welbepaald perspectief. Zo is bijvoorbeeld ook wetenschappelijk aangetoond dat onze bewegingen anders zijn naarmate onze intenties anders zijn. Wanneer ik een glas vastpak om eruit te drinken, is mijn beweging van in het begin anders dan wanneer ik naar het glas grijp om het in de afwasmachine te zetten, en nog anders wanneer ik het aan jou wil geven. Dit is ook zichtbaar voor anderen, zij kunnen vaak inschatten welke intentie ik heb, nog voor ik iets doe, en ook als de bewegingen op het eerste gezicht niet zo verschillend zijn. Onze intenties en denkprocessen zijn altijd belichaamd.

1.3 Zin-geven is een kwestie van lichamelijk ervaren en beleven

Een ander belangrijk aspect van deze benadering is hoe de dingen aanvoelen, wat we ervaren, hoe we de wereld, onszelf, en anderen beleven. Dit wordt bestudeerd in de fenomenologie (zie bv. Merleau-Ponty 2009, Young 2005). Uiteraard gaat ook hier weer veel aandacht naar de lichamelijke ervaring. Een voorbeeld uit de psychopathologie kan dit duidelijk maken. Mensen met schizofrenie hebben het gevoel zichzelf kwijt te zijn, verliezen het common sense of gezond verstand gevoel, en kunnen hyperreflexief zijn, of net het gevoel hebben over-geautomatiseerd bezig te zijn. Bij hyperreflexiviteit denkt de persoon over en bij alles zeer expliciet na, en verliest daarbij de verbinding met wat hij doet. Alles voelt gehakkeld en stroef aan. Patienten beschrijven daarentegen het hyperautomatische als “volledig ver weg van mijn lichaam” – een vervreemding (de Haan en Fuchs 2010, p. 332). We zouden kunnen spreken van een specifiek soort verlies van verbinding met het eigen lichaam, bijna een ont-lichaming, waarbij of de geest probeert het lichaam volledig te sturen, of net de afstand tussen geest en lichaam te groot is (Fuchs 2005). De fenomenologische psychiatrie stelt voor dat hyperreflexiviteit en hyperautomatisering strategiën zijn om met deze ‘ontlichaming’ om te gaan. Om patienten te helpen hiermee om te gaan, om een vloeiend lichaamsbewustzijn te bevorderen en daarmee de schizofrene beleving te verminderen, zijn dans- en bewegingstherapieën wellicht nuttig (Martin et al. 2016).

Levensnoden geven goesting, perspectief en zin. Specifieke lichaamsprocessen en structuren ondersteunen en geven tegelijkertijd betekenis aan deze noden, driften, en perspectieven. Behalve als het mis gaat. Maar ook als het misgaat, kunnen we ervan uitgaan dat de manier waaróp bepaalde regelmatigheden volgt.

Onze manieren om de wereld te begrijpen zijn door en door belichaamd en gesitueerd in de context. De sociale of maatschappelijke context is daarin ook cruciaal. Bijna niets van wat mensen doen kan begrepen worden buiten de sociale context om. Vandaar ook dat een enactieve benadering er altijd van uit gaat dat een stoornis, handicap, of psychisch/intermenselijk probleem niet louter individueel opgevat kan worden, en al zeker niet volledig te reduceren is tot een neurologisch probleem. Altijd moet de persoon als geheel, ingebed in haar context, begrepen worden, om met problemen aan de slag te gaan. Zo algemeen gezegd, is dit nog niet erg concreet. Maar het wijst in de richting van een welbepaalde vraag die aan de basis moet liggen van elk verzoek tot inzicht, of het nu in een wetenschappelijk-filosofische of therapeutische context is.

1.4 De basisvraag: What is at stake?

Het moge duidelijk zijn dat de enactivistische benadering cognitie niet ziet als iets specifiek menselijks, maar dat elk levend wezen, hoe eenvoudig ook, intelligent gedrag stelt. Het houdt ook in dat, wanneer we meer willen weten over hoe het met een bepaald levend wezen, ook een mens, gesteld is, één van de eerste vragen die we ons stellen zou moeten zijn: wat is van cruciaal belang voor deze persoon? Waarom stelt hij of zij precies dit gedrag? Hoe kan ik dat begrijpen vanuit de verschillende identiteiten die deze persoon op dit moment probeert te handhaven, in zijn context? Kan zij dit goed doen, in deze omstandigheden, of net niet? Welke rol speelt zijn of haar belichaming daarin? Hoe wordt de persoon misschien gehinderd in zijn zelfbehoud, door zichzelf, door anderen, door lichamelijke factoren, door de omgeving? Bewust en/of onbewust?

Een element dat we nog niet behandeld hebben, maar dat even cruciaal is, is hoe wij elkaar en de wereld verstaan, samen met elkaar. Hier begeef ik mij steeds meer exclusief in het rijk der mensen en hun relaties met elkaar.

2 Deelnemend zin-geven

2.1 Coördinaties

In de 17e eeuw ondekte Christiaan Huygens dat twee klokken die aan dezelfde muur hangen, met elkaar synchroniseren en gelijk gaan lopen. Voor dit fenomeen van koppeling en coördinatie is opnieuw geen ingewikkeld brein nodig. Van zodra eenvoudige of complexe fysieke systemen aan elkaar gekoppeld zijn, neigen ze naar afstemming. Ook biologische systemen en hun subsystemen doen dat. Dat doen ze in het lichaam – Bernstein bestudeerde lang geleden al hoe het motorische systeem werkt door coördinatie van spieren, gewrichten en neuronen (Bernstein 1967). Maar ook tussen lichamen gebeurt dit: wij coördineren voortdurend onze bewegingen en gedragingen met elkaar. In de sociologie is veelvuldig aangetoond dat gedragingen en bewegingen op verschillende manieren coördineren. Dat gebeurt zowel bewust als onderbewust. Gebaren, oogcontact, maar ook hartslag, ademhaling, intonatie en spreekritme, en zelfs menstruatiecycli kunnen synchroon lopen (zie bv. Neugebauer en Aldridge 1998). We imiteren voortdurend elkaars gebaren en uitdrukkingen, we maken complementaire bewegingen (bv. een handdruk), en als we met elkaar spreken, stemmen we onze woordenschat op elkaar af.

Wanneer we voortdurend bezig zijn wat we doen en tegenkomen te be-grijpen en er zin aan te geven, wanneer deze betekenisverlening op het meest basale niveau belichaamd en gesitueerd is in de context, en wanneer wij voortdurend onze gedragingen en bewegingen met elkaar coördineren, kan het niet anders dan dat we elkaar voortdurend beïnvloeden.

In sociale interacties, wanneer mensen samen iets doen, spelen zulke coördinaties een zeer belangrijke rol. Het gaat altijd in meer of mindere mate om belichaamde, gecontextualiseerde interacties met elkaar. Dat kan heel diep gaan. Wanneer onze hartslagen en onze ademhaling kunnen samenvallen zonder dat we daar weet van hebben, wil dat zeggen dat erg diepe fysiologische processen inter-menselijk beïnvloed kunnen worden. Maar hartslag en ademhaling zijn niet alleen fysiologisch, ze zijn ook zeer sterk verbonden met onze emoties. Hoe komt het dat heel dicht bij iemand gaan zitten en iemand aaien, erg troostend kunnen zijn? Het verlaagt waarschijnlijk letterlijk de hartslag en het ademhalingsritme, en het is ook aangetoond dat de huid erg gevoelig is voor ritmische aanraking. Dit kan voor beide personen erg ontroerend en bemoedigend zijn, of net erg storend en zelfs pijnlijk. We raken elkaar niet alleen figuurlijk soms letterlijk in het diepst van ons en elkaars hart.

Dit is waar het begrip ‘deelnemend zin-geven’ of participatory sense-making over gaat: het elkaar begrijpen, en de wereld samen begrijpen, door hoe we met elkaar bewegen, ademen, leven. Omdat onze voortdurende activiteiten van zin-geving zo diep in onze bewegingen vervat zitten, kunnen we letterlijk deelnemen aan elkaars gedrag en intenties, of participeren in zin-geving (De Jaegher en Di Paolo 2007; De Jaegher 2009, 2015; Fuchs en De Jaegher 2009; Di Paolo 2015). Wanneer we samen bewegen – wat we voortdurend en veelal automatisch doen, vormen en transformeren onze zin-gevingsactiviteiten elkaar. Het gaat er in de sociale omgang dus niet zozeer om elkaars gedachten te proberen lezen – te proberen uitvissen wat die frons of gekruiste armen toch mogen betekenen. Zelfs wanneer we denken te weten wat daar achter zit, is het vaak beter om met elkaar te onderzoeken wat er mis is, d.w.z. om erachter te komen door verder met elkaar te spreken, te stappen, te spelen, te zoeken. In plaats van te interpreteren en te analyseren is het beter om te interageren en te doen, om het interactionele proces zijn ding te laten doen.

2.2 Wanneer interacties een loopje met ons nemen

Natuurlijk gaat dit ook vaak mis. We zijn niet voortdurend in perfecte balans met onszelf of met elkaar. Integendeel! Allerlei vormen van miscoördinatie en breakdown vormen een integraal aspect van communicatie en interactie. Maar precies wanneer het misloopt, opent er zich een gaatje in de tijd en in de ruimte om méér, om ándere betekenis te maken. Net wanneer niet alles op rolletjes loopt, gebeuren er nieuwe dingen. In feite vormt dit zelfs een basis van het samen betekenis verlenen, van het deelnemend zin-geven. Als we altijd perfect op mekaar afgestemd zouden zijn, zou er nooit iets van betekenis gebeuren.

Een speciaal aspect van de theorie van participatory sense-making is dat ze de sociale interactie definieert op een manier die binnen de cognitie-wetenschap niet zo gebruikelijk is. Daar is men eerder gewend om te spreken van sociale informatie, oftewel informatie over andere personen. Elkaar begrijpen gaat erom om te gaan met dit soort informatie of, zoals de theorie van de theory of mind of het mentaliseren voorschrijft, om elkaars gedachten te lezen, of ons voor te stellen wat er in de geest van iemand anders omgaat. Maar meestal kunnen we dat niet, en bovendien bestaan veel van onze interacties uit heel andere dingen dan elkaars diepe roersels te proberen raden. En iedereen kent ook wel het fenomeen waarbij elkaars gedachten proberen te achterhalen juist leidt tot moeilijkheden. We kunnen er niet van uit gaan dat we weten wat de ander wil. Vaak leidt dit bovendien tot escalerende communicatieproblemen. Zelfs wanneer geen van beide personen zin heeft in ruzie, gebeurt het toch soms dat er heibel van komt.

Dit komt net omdat sociale interacties soms een eigen leven kunnen gaan leiden, of autonoom kunnen worden. Dat wil zeggen, ze delen met levende wezens de eigenschap dat ze aan zelfbehoud kunnen doen: processen die deel uitmaken van de sociale interactie zorgen ervoor dat de interactie zichzelf in stand houdt (los van pogingen om te raden naar of te reflecteren over elkaars gedachten). Om hiervan een voorbeeld te geven dat we allemaal kennen: Stel, je loopt in de gang naar je bureau. Een collega komt je van de andere kant tegemoet. In plaats van elkaar vlotjes te passeren, staan jullie ineens pal tegenover elkaar. Wanneer je probeert naast elkaar door te lopen, staan jullie weer voor elkaar. Ieder stapte naar de andere kant, die eigenlijk dezelfde kant is. Het proberen uit deze korte impasse te komen, maakt net dat de coördinatie tussen jullie – voor even – behouden blijft. Hier is dus een interactie ontstaan die geen van beiden wilde, maar die toch een tijdje blijft bestaan. Dit is een illustratie van de autonomie van sociale interactieprocessen.

Volgens de enactieve benadering (en Bateson en Watzlawick hebben dit ook al beschreven) is dit een algemeen kenmerk van sociale interacties. Wanneer mensen elkaar ontmoeten, zijn de interacties waarin ze zich begeven ten dele autonoom. Dat wil dus ook zeggen dat mensen die eraan deelnemen niet altijd, of geen volledige, controle hebben over wat er in de interactie gebeurt.

Om dit interessante fenomeen beter te begrijpen, zijn er definities van sociale interactie nodig. Omdat deze in de cognitiewetenschap nog niet voorhanden waren, heb ik in 2007 samen met collega’s de volgende definite voorgesteld. We kunnen maar van sociale interactie spreken wanneer er, ten eerste, een relationele dynamiek onstaat die zichzelf een tijdje reguleert en in stand houdt en, ten tweede, wanneer tegelijkertijd de autonomie van de deelnemers aan de interactie niet ondermijnd wordt. Wanneer dat wel het geval is, d.w.z. wanneer één of beide personen in de interactie niet meer autonoom kunnen handelen, spreken we niet meer van een sociale interactie. Bijvoorbeeld, het verplaatsen van een persoon die het bewustzijn verloren heeft is, volgens deze definitie, geen sociale interactie meer. Het kan wel een sociale situatie zijn (d.w.z. er zijn verschillende mensen bij betrokken), maar geen sociale interactie. Eén van de twee personen is hier geen actieve deelnemer aan de interactie. Samengevat: sociale interactie wordt gekenmerkt door een autonome relationele dynamiek, én tegelijkertijd het zichzelf in stand houden van de personen die eraan deelnemen (De Jaegher en Di Paolo 2007; De Jaegher, Di Paolo, en Gallagher 2010).

Waarom is zo’n definitie van belang? De autonomie van de sociale interactie theoriseren en aantonen helpt ons om beter te begrijpen hoe mensen kunnen deelnemen aan interacties, en hoe ze elkaar en de wereld daardoor en daarin samen begrijpen. Wanneer zin-geven erin bestaat zich in de wereld te bewegen vanuit de verschillende perspectieven en identiteiten die eenieder probeert te onderhouden (individuele autonomie), en wanneer we daarbij voortdurend met elkaar coördineren (interactionele autonomie), dan is onze deelname aan sociale interacties bijna letterlijk van levensbelang. Personen brengen verschillende identiteiten, perspectieven, en de ermee samenhangende belangen en emoties mee in iedere interactie, en deze hangen dus allemaal af van het dynamisch interactief proces, terwijl ze dat proces tegelijk ook beïnvloeden. Wanneer interacties dan ook nog letterlijk een loopje kunnen nemen met ons, dan is het nodig om beter te begrijpen hoe dit werkt.

2.3 De kwetsbaarheid van personen en interacties

Systemen die zichzelf in stand houden zijn kwetsbaar in dit zelfbehoud. Dit geldt zowel voor personen als voor interacties. Dit is één van de belangrijkste aspecten van deze benadering die kunnen bijdragen aan een beter begrip en toepassing van de systeemtherapeutische praktijk.

Zelf-organiserende systemen – dus zowel mensen als interacties – moeten en kunnen met storingen en inbreuken omgaan, en voor iedere perturbatie, op ieder moment, zijn ze daar meer of minder toe in staat. Dit is goed om voor ogen te houden wanneer we met een persoon of systeem in moeilijkheden te maken krijgen.

In de theorie van deelnemend zin-geven spreken we van een primordiale spanning tussen mensen en de interacties waaraan ze deelnemen (Cuffari et al. 2015). Mensen verhouden zich niet alleen tot elkaar, maar ook tot de interactieprocessen waaraan ze deelnemen. Probeer maar eens iemand te groeten. Geef je een hand of net niet, één, twee, of drie kussen, oogcontact, een knuffel of zeker niet? Hoe mensen elkaar groeten wordt niet alleen bepaald door ieder van hen of door hun achtergrond, maar ook door hoe de interactie tussen hen zich afwikkelt. Plots blijkt het een kus op de mond geworden te zijn, niet omdat de deelnemers dat wilden, maar als gevolg van enig interactioneel gestuntel, waarover geen van beiden, noch allebei samen, de controle hadden. Of denk aan de voorbeelden van socioloog Erving Goffman over hoe interactieprocessen kunnen lijden onder vervreemding (Goffman 1957). Mensen zijn voortdurend bezig met vanalles, en dit kan leiden tot moeilijkheden voor het voortbestaan van hun interacties. Als iemand voortdurend wegkijkt tijdens een gesprek, of op zijn uurwerk of gsm kijkt, zijn zowel hij als zijn gesprekspartner daardoor bezig de interactie op een bepaalde manier te onderhouden, of net te onderzoeken wat er in deze interactie nu eigenlijk speelt. Ben ik saai? Is de ander moe, ongeïnteresseerd, verlegen? Wat is er daar buiten aan de hand dat zo interessant is? Hoe kan ik zijn aandacht er weer bij krijgen? En aan de andere kant zijn mensen voortdurend bezig zichzelf in stand te houden, een imago te onderhouden – weer een inzicht van Goffman (Goffman 1955). Er is met andere woorden een spanningsveld tussen het onderhouden van interacties aan de ene kant, en zelfbehoud aan de andere kant; tussen interactief en persoonlijk zelfbehoud. De spanningen die dit oplevert zijn niet altijd negatief, maar kunnen ook net bijdragen tot elkaar (beter) verstaan, tot nieuwe inzichten, tot voortgang.

Interactieprocessen leggen eigen normen op aan wat er voor hun deelnemers mogelijk is. Ze lokken bepaalde manieren van deelnemen uit, en verhinderen weer andere participatiemogelijkheden. Dit ligt onder andere aan de maatschappelijke context waarin ze zich afspelen en de rollen en normen die daaruit volgen, maar ook aan de zich afwikkelende interactionele dynamiek zelf, en aan wat de deelnemers met zich meebrengen aan gemoedsgesteldheid, geschiedenis, verwachtingen, lichamelijke toestand, enzoverder.

Een voorbeeld uit onderzoek kan helpen dit inzichtelijk te maken. Twee jongetjes spelen met een erg interessante, zichzelf voortbewegende robot. Eén van de jongens heeft de diagnose autisme. Af en toe roept hij heel luid zinnen als “Table has a t in it!” of “Carpet has a p in it!” De jongen lijkt feiten over de spelling van woorden willekeurig te herhalen. De andere jongen en de aanwezige begeleiders begrijpen niet wat dit betekent, en het gedrag wordt door hen als storend ervaren. Wanneer conversatie-deskundigen een video van dit voorval onderzoeken, ontdekken ze dat de intonatie van iedere schreeuw van het jongetje overeenkomt met hoe we protest uitdrukken: de toon gaat omhoog naar het einde van de zin. Bovendien valt iedere schreeuw net wanneer de andere jongen de robot in handen heeft (Stribling et al. 2005/2006).

Vanuit een enactivistisch perspectief kunnen we stellen dat de jongen zich perfect inpast in de regels van de interactie: hij reageert net wanneer de andere jongen de robot heeft. Alleen wordt de interactie hier tegelijkertijd bedreigd door de talige vreemdheid van de interventies. In de situatie begrijpen noch de andere jongen, noch de begeleiders het gedrag van de autistische jongen, en dus is er van “samen spelen” geen sprake. Maar hij drukt wel zijn frustratie uit wanneer zijn goesting om met de robot te spelen in het gedrang komt. Hier zien we dus een vreemde manier (d.m.v. op het eerste zicht “nietszeggende” of irrelevante uitspraken) waarop iemand toch probeert deel te nemen aan interactie en aan zijn noden en verlangens tegemoet te komen, zelfs wanneer op andere niveaus de interactie erg onder druk staat doordat de uitroepen niet begrepen worden en als ongepast worden ervaren. Pas wanneer je naar de situatie kijkt door een interactionele en enactieve bril, wordt duidelijk wat er gaande is (De Jaegher 2013).

Ook autisme kunnen we dus begrijpen als een zeer bepaalde manier waarop zin-geving, interactieve betekenisverlening en belichaming samenhangen, ook als het soms niet direct herkenbaar is voor mensen die geen autisme hebben, en we harder moeten zoeken naar hoe de zin-geving en deelnemende zin-geving gebeurt. Wat dit voorbeeld aangeeft, is het belang van het kijken naar de specifieke manieren waarop mensen bezig zijn met het behoud van hun identiteit en zin-gevingen, en hoe ze kunnen, of net niet kunnen, deelnemen aan interacties in relatie hiertoe.

3 Tot slot

Samengevat, heb ik voorgesteld hoe levensprocessen, levensnoden, onze lichamelijke constitutie, en onze inbedding in de wereld aan de basis liggen van hoe we de wereld en elkaar begrijpen. Bovendien spelen de sociale interactieprocessen waaraan we deelnemen hierin hun eigen, eigengereide rol. Zowel personen als sociale interacties doen aan zelf-behoud, hetgeen leidt tot spanningen tussen hen die bijdragen aan betekenisverlening. Elkaar begrijpen komt voort uit wat we nodig hebben, wat we letterlijk en figuurlijk willen en kunnen grijpen, en hoe we onszelf kunnen handhaven, of net niet, in de interacties waaraan we participeren.

Door deze ideeën toe te passen op de systeemtherapeutische theorie en praktijk, wordt duidelijk dat het non-verbale van groot belang is, en ook zowel de bredere sociale context, als de interactieprocessen een belangrijke rol spelen. Grip krijgen op sociale interacties vraagt bovendien van therapeuten dat ze de interactionele dynamieken goed begrijpen (en ook de deelnemers aan interactie kunnen van zulke inzichten hiervan profiteren). In de systeemtherapie is dit welbekend, maar het specifieke idee dat zowel personen als interacties zichzelf in stand proberen te houden en met betrekking daartoe ook kwetsbaar zijn, voegt wellicht nog iets extra toe.

De enactivistische benadering maakt duidelijk dat het lichaam centraal moet staan, ook voor en in de systemische psychotherapie. Zoals Galbusera en Fuchs in dit tijdschrift al zeiden: “Denken doe je niet alleen met je brein, psychotherapie doe je niet alleen met woorden” (2014, p. 149). Meer zelfs, in overeenstemming met de ideeën die ik hier beschreven heb, winnen therapieën die het lichaam voorop stellen steeds meer aan invloed, en worden ook uitvoerig onderzocht (Behrends et al. 2012, Fuchs en Koch 2014, Röhricht et al. 2014, Samaritter en Payne 2016, Maiese 2016). Volgens de hedendaagse stand van de cognitiewetenschap, zal het dan ook nuttig zijn de systeemtherapie uit te breiden en te verdiepen met aandacht voor het hele lichaam binnen interacties.

Maar enaction gaat hierin verder dan alleen het lichamelijke: het verbindt het lichamelijke, het interactionele, het fenomenologische, en het existentiële (de Haan 2013). Alleen wanneer we begrijpen met welke goesting wij onze wereld letterlijk en figuurlijk willen be-grijpen, alleen wanneer we verstaan hoe onze deelname aan interacties ons in vervoering kan brengen of ons net parten kan spelen, is het mogelijk te begrijpen hoe we elkaar zo diep kunnen beïnvloeden – hoe sterk onze subjectiviteit en intersubjectiviteit met elkaar verweven zijn.

Dank

Met dank aan Ellen Reijmers, Mieke Faes en Lieve Cottyn voor hun behulpzame suggesties voor de tekst.

Ik draag dit artikel op aan mijn vader, Luc De Jaegher, die de Systeemtheoretische Psychotherapieopleiding volgde in de Interactie Academie, midden jaren ’80, en die in mij de interesse in mensen, in denken, en in denk- en inter-menselijke systemen heeft aangewakkerd. Hij overleed op 11 mei 2016 aan frontotemporale jong-dementie, een ziekte die, ironisch en zeer jammer, communicatie en verbinding heel erg moeilijk maakte.

Referenties

Behrends, A., Müller, S., & Dziobek, I. (2012). Moving in and out of synchrony: A concept for a new intervention fostering empathy through interactional movement and dance. The Arts in Psychotherapy, 39, 107-116.

Bernstein, N. A. (1967). Coordination and Regulation of Movements. New York: Pergamon Press.

Cuffari, E., Di Paolo, E., & De Jaegher, H. (2015). From participatory sense-making to language: There and back again. Phenomenology and the Cognitive Sciences, 14(4), 1089-1125. doi: 10.1007/s11097-014-9404-9

Danziger, S., Levav, J., & Avnaim-Pesso, L. (2011). Extraneous factors in judicial decisions. Proceedings of the National Academy of Sciences, 108(17), 6889-6892.

de Haan, S. (2013). De existentiële dimensie van de psychiatrie: een enactivistische benadering. Psyche & Geloof. Tijdschrift van de Christelijke Vereniging voor Psychiaters, Psychologen en Psychotherapeuten, 24(2), 130-140.

de Haan, S., & Fuchs, T. (2010). The ghost in the machine: Disembodiment in schizophrenia – Two case studies. Psychopathology, 43(5), 327-333.

De Jaegher, H. (2009). Social understanding through direct perception? Yes, by interacting. Consciousness and Cognition, 18(2), 535-542. doi: 10.1016/j.concog.2008.10.007

De Jaegher, H. (2013). Embodiment and sense-making in autism. Frontiers in Integrative Neuroscience, 7, 15. doi: 10.3389/fnint.2013.00015

De Jaegher, H. (2015). How we affect each other. Michel Henry’s ‘pathos-with’ and the enactive approach to intersubjectivity. Journal of Consciousness Studies, 22(1-2), 112-132.

De Jaegher, H., & Di Paolo, E. (2007). Participatory Sense-Making: An enactive approach to social cognition. Phenomenology and the Cognitive Sciences, 6(4), 485-507. doi: DOI 10.1007/s11097-007-9076-9

De Jaegher, H., Di Paolo, E. A., & Gallagher, S. (2010). Can social interaction constitute social cognition? Trends in Cognitive Sciences, 14(10), 441-447. doi: doi:10.1016/j.tics.2010.06.009

Di Paolo, E. A. (2015). Interactive time-travel: On the intersubjective retro-modulation of intentions. Journal of Consciousness Studies, 22(1-2), 49-74.

Fuchs, T. (2005). Corporealized and disembodied minds: A phenomenological view of the body in melancholia and schizophrenia. Philosophy, Psychiatry, and Psychology, 12(2), 95-107.

Fuchs, T., & De Jaegher, H. (2009). Enactive Intersubjectivity: Participatory sense-making and mutual incorporation. Phenomenology and the Cognitive Sciences, 8(4), 465-486. doi: http://dx.doi.org/10.1007/s11097-009-9136-4

Fuchs, T., & Koch, S. C. (2014). Embodied affectivity: On moving and being moved. Frontiers in Psychology, 5. doi: 10.3389/fpsyg.2014.00508

Galbusera, L., & Fuchs, T. (2014). Denken die je niet alleen met je brein, psychotherapie doe je niet alleen met woorden. Systeemtheoretisch Bulletin, 149-188.

Goffman, E. (1955). On Face-Work: An Analysis of Ritual Elements in Social Interaction. Psychiatry, 18, 213-231.

Goffman, E. (1957). Alienation from interaction. Human Relations, 10, 47-59.

Maiese, M. (2016). Embodied Selves and Divided Minds. Oxford: Oxford University Press.

Martin, L. A. L., Koch, S. C., Hirjak, D., & Fuchs, T. (2016). Overcoming disembodiment: The effect of movement therapy on negative symptoms in schizophrenia – A multicenter randomized controlled trial. Frontiers in Psychology, 7. doi: 10.3389/fpsyg.2016.00483

Maturana, H. R., & Varela, F. J. (1989). De Boom der Kennis: Hoe Wij de Wereld door onze Eigen Waarneming Creëren (T. Maas, vertaling). Amsterdam: Contact.

Neugebauer, L., & Aldridge, D. (1998). Communication, heart rate and the musical dialogue. British Journal of Music Therapy, 12(2), 46-52.

Röhricht, F., Gallagher, S., Geuter, U., & Hutto, D. D. (2014). Embodied cognition and body psychotherapy: The construction of new therapeutic environments. Sensoria: A Journal of Mind, Brain & Culture, 10(1), 11-20.

Samaritter, R., & Payne, H. (2016). Being moved: Kinaesthetic reciprocities in psychotherapeutic interaction and the development of enactive intersubjectivity. European Psychotherapy, 13, 5-20.

Savenije, A., van Lawick, J., & Reijmers, E. (2014). Handboek Systeemtherapie. Utrecht: de Tijdstroom.

Stribling, P., Rae, J., Dickerson, P., & Dautenhahn, K. (2005/2006). “Spelling it out”: the design, delivery and placement of ‘echolalic’ utterances by a child with an autism spectrum disorder. Issues in Applied Linguistics, 15(1), 3-32.

Young, I. M. (2005). On Female Body Experience: “Throwing like a Girl” and Other Essays Oxford: Oxford University Press.

* Personalia

Filosoof en cognitiewetenschapper. Ramón y Cajal onderzoeker aan het departement Logica en Wetenschapsfilosofie, Universiteit van het Baskenland, San Sebastián, Spanje. Voordien o.a. werkzaam aan de afdeling psychiatrie van de Universiteit van Heidelberg, Duitsland. Doctoraat van de Universiteit van Sussex, Brighton, Verenigd Koninkrijk, 2007.

The intersubjective turn

Below is the draft of an invited chapter for The Oxford Handbook of Cognition: Embodied, Embedded, Enactive and Extended, eds.: A. Newen, L. de Bruin, S. Gallagher.
It can certainly do with improvement, and I’d be happy with comments or thoughts!

 

The intersubjective turn

– Draft! Please do not quote without permission –

Hanne De Jaegher

Summary

I think we can say that, rather than just an interactive turn, we are witnessing an intersubjective turn in research on social understanding. A lot of current research is not only concerned with quantifying interaction dynamics, but also with understanding individuals and individual experience, in interaction. The impetus for this double advancement comes in part from the fact that much of the criticism of cognitivist social cognition research is inspired by phenomenological insights.

This chapter provides evidence from different fields to support the idea of an intersubjective turn. Moreover, I argue that the framework of participatory sense-making can provide conceptual tools for the inter-disciplinary probing, discussion, analysis, and coherence needed to support the intersubjective turn in research on social understanding.

When I was invited to write this chapter, I was given the title “The interactive turn”. But I think – and I am not alone in this – that the interactive turn in the embedded, embodied, and enactive sciences of the mind, is really an intersubjective turn. If by inter-subjective (the two parts here separated for a moment, to emphasise each aspect) we understand that which happens between subjects, then several elements of this are being increasingly investigated today, social interaction being only one of them. Subjects are animate, bodily, experiencing persons, who live in a meaningful world, and to whom things happen and matter. They engage with each other affectively, experientially, cognitively, and are almost continually involved in understanding both the world and each other, often together.

Indeed, there is currently a heightened attention to interaction processes, but that is not all that is going on. There is also increasing interest in the feeling of connecting with others, i.e. in the personal experience of being involved in interactions – a fundamental aspect of subjectivity (Thompson 2001, 2005). In line with inspiring work by Shaun Gallagher, Peter Hobson, Vasu Reddy, Evan Thompson, Colwyn Trevarthen, and others, I felt early on that what was needed in the science of social understanding was a recognition of connecting, which connotes both interacting and its experience. The impulse for this movement towards not just an interactive, but an intersubjective turn in the investigation of social understanding comes in part from the phenomenological insights generating many of the criticisms of cognitivist social cognition research (e.g. Ratcliffe 2007; Gallagher 2001, 2012; Zahavi 2001, 2011; Szanto and Moran 2015). What they diagnose as missing concerns especially the human, the personal aspects, and these centre on experiencing and interacting (Gill 2015; Satne and Roepstorff 2015). Both are things that machines still can’t do, and that particularly characterize living beings.

Interaction and its experience are especially part of the embedded, embodied, and enactive sciences of mind, in their weariness of functionalism, cognitivism, and computationalism. While Dreyfus (1992) doesn’t write about social interaction, his critique of the artificial intelligence programme in the 1970’s was that experience shouldn’t (because it cannot) be ousted from cognition (research). It is the kind of experience that Gendlin considers central to meaning: “Meaning is not only about things and it is not only a certain logical structure, but it also involves felt experiencing. Any concept, thing, or behavior is meaningful only as some noise, thing, or event interacts with felt experiencing. Meanings are formed and had through an interaction between experiencing and symbols or things” (Gendlin 1962/1997, p. 1, emphasis in the original). It is this kind of meaning or sense that subjects make, find, and participate in in their world.

Subjectivity is core to a bio-logical understanding of meaning – a meaning that has its roots in the lived- and living-body of animate creatures who move around in a world in search of what nourishes them, and who are constrained and enabled by the needful freedom of their self-organization and self-maintenance (Merleau-Ponty 1945/2012; Jonas 1966; Varela, Thompson and Rosch 1991; Sheets-Johnstone 1999, 2009; Di Paolo 2005, 2009; Johnson 2007; Thompson 2007; McGann et al 2013; Buhrmann and Di Paolo in press). Subjectivity has been repeatedly overlooked, but again and again called back into psychology and cognitive science throughout their history. Often these appeals have only been heard with half an ear, or the enthusiasm quickly dissipated within the contingencies of the times (see e.g. Bruner 1990). It is important to extend this call again, and in this chapter, I relate some of the efforts made in the area of research on social understanding. I prefer to use the term social understanding over social cognition, to indicate a broader subject matter than that of explaining and predicting other people’s mental states.

Many have thought and written about experiencing and interacting. In psychology there is, among others, the work of Vygotsky, Asch, Donaldson, in sociology, of Mead, Goffman, in phenomenology, Gurwitsch, Schutz, Husserl, Merleau-Ponty, and so on. Their work is now once again being re-discovered, -applied, -interpreted, and -operationalized. In this short chapter, I give a necessarily cursory and incomplete overview of the state of the art. I also argue that this isn’t just an interesting movement, but that it already has the ingredients to become an encompassing and coherent view, perhaps even a new science of social understanding.

The individual is here

Speaking of an intersubjective turn makes it clear from the outset that this development is not only about interacting, but also – and fundamentally – about the individual. Proposing that interaction is important (as we indeed did, De Jaegher and Di Paolo 2007; De Jaegher et al. 2010; Di Paolo and De Jaegher 2012) does not mean forgetting about individuals, as it has sometimes been understood (Bohl and van den Bos2012; Michael and Overgaard 2013). What it does mean is a re-thinking of the subjects involved in interaction (Di Paolo and De Jaegher, 2016). Individuals now appear not in a mentalistic vacuum, but as dynamically participating in different-each-time encounters.

Participants do not always have power over the interactions they engage in. Nor can they fully grasp them. Sometimes they are even under the control of these interactions. This is the most radical form of the enactive proposal for explaining social understanding: that interactions can take on a life of their own, or be autonomous in a particular (well-defined) sense, and that if this is the case, then we can argue that interaction processes as such can influence (form and transform) individual intentions (De Jaegher and Di Paolo 2007, De Jaegher et al. 2010). The best way to illustrate this is in a situation where people do not intend or wish to interact, but nevertheless find themselves doing so. This can happen when you encounter someone walking towards you from the other direction on a narrow path, and you end up stepping in front of each other a few times before one of you can break the spell of this unwanted “corridor dance,” allowing each of you finally to continue on your way. Or think of saying goodbye on the phone where, sometimes, even after both speakers have said goodbye it takes a while before they can finally hang up. Another familiar example is the escalating pull to fight or argue with someone even when neither participant wants to. This often happens between family members, and is largely based on patterns of shared interactional histories (Granic 2000).

From the point of view of everyday personal or subjective experience, the idea that interactions can influence individual intentions does not seem radical (everyone knows this). Where it is revolutionary is in a cognitive science that has dealt mainly with individuals confronting – on their own – a logical world to interpret (and this interpreting is the main object of study of that kind of cognitive science). Here, interactions have long been ignored as mere contexts, because inconsequential and not worthy of examination in their own right, reducible to a peculiar stream of sensory data and essentially compatible with the assumption of detachment between cognitive processes and world. What the intersubjective turn is thus realizing, is an increasing scientific attention to interaction processes, including their measuring and quantification. And the findings confirm that the inherent dnamics of interactive processes render invalid the traditional assumptions.

The strange thing here is that interactions have of course long been studied scientifically, and pointing to the importance of interaction sounds odd to those working in fields that have always been about interactions, e.g. subdisciplines of the social sciences like conversation analysis and ethnomethodology. However, they have been ostensibly far out of contact with cognitive science. Without having the space to go into this disciplinary rift here (but see Boden 2006), suffice it to say that the sociological study of interactions is becoming increasingly relevant to cognitive science, and calls for a dialogue between the two (Bender et al. 2012) are being taken up (e.g. Hutchins 1995; Jensen and Cuffari 2014; Beller and Bender 2015; De Jaegher et al. in review). On the other hand, the social sciences also stand to benefit from a contact with embodied cognitive science in this: namely. precisely about the more embodied and experiential – subjective, personal, meaningful – aspects of interacting. For conversation analysis and ethnomethodology have focused a lot on talk, but less on embodiment (with exceptions, of course, e.g. Kendon 1972, 1990). Many interaction researchers (with the exception of Goffman, who himself however remains ambiguous on the topic) have positively banned subjective experience from their interests (REF CA handbook Anssi). Changes are happening here too, partly under impulse from phenomenology, cognitive science, and philosophy of mind (see e.g. Streeck et al. 2011; Meyer et al. 2015).

In relatively isolated segments of psychology, linguistics, sociology, robotics, some of which I will discuss in the next section, research addressing embodiment, interaction, and experience is already taking place. But why – especially considering that for many people this kind of work rings so true – is this interest not more mainstream? I think it is because of a lack of insight that this is about cognition, about understanding, about sense-making. In cognitivist terms, an integration of embodiment, interaction, and lived experience is, indeed, hard to capture. But now, with the embodied, embedded, enactive approaches, we can much more clearly make understandable and testable how embodiment, interaction, and experience shape sense-making. This needs to be theorized, and once a decent connection can be made between individual sense-making and the role of interaction processes, this kind of work will become increasingly recognised as part of the sciences of the mind.

We can see thus a hankering to study embodiment, subjectivity, experience, and interaction, if possible all together. In the next section, I survey some of these streams and the different turns they take towards an increased attention to aspects of intersubjectivity. I will mainly focus on studies of interaction and of experience. In the final section, I explain how I think they are already carrying and are beginning to bring together many of the basic materials needed for a science of intersubjectivity.

The growing intersubjective turn

In this section, I give a brief overview of the kinds of research that consider interaction and subjectivity central to social dynamics and social understanding.

First, however, let me remark that meaningful experience is pertinent, even in standard, non-interactive, cognitivist research. In one of the seminal studies of social cognition, Premack and Woodruff investigated whether chimpanzees have a Theory of Mind (Premack and Woodruff 1978). Even here, even though the study is carefully described in mechanistic-mentalistic – “neutral” – terms,[1] a recognition of the experiential significance of what is going on is unavoidable. I do not just mean the fact that mentalist staples of ToM like ‘desire’ and ‘belief’ have a personal, subjective basis, but that what went on in the experiment turns crucially around what matters to the actors, chimps as well as humans. In the study, chimpanzee Sarah is shown videos of a human actor in precarious situations, e.g. his food is out of reach, or he shivers with cold – all situations that are of concern to the actor. When Sarah is then shown photographs of possible solutions and non-solutions to the situation, she consistently chooses the one in which the actor gets out of his predicament. Whether traditional cognitive science is embarrassed by it or not, all of these situations appeal to concrete practical (even sometimes existential) needs and efforts of the actors involved. Moreover, it is quite possible that the chimpanzee relates to the actors in their situations through a recognition of precisely these needs and efforts. If the videos had been of situations that were not meaningful to the chimp (whether to her own personal experience – she knows about hunger or cold, or to her as empathizing with the human in the videos – she sees the human wanting food), she would likely not have found the solutions.[2] This way of thinking is supported by research that suggests chimpanzees develop better joint attention and cooperation skills, the more affective experiences of engagement they have, just like human children do (Bard et al. 2014).

Indicators that what personally matters plays a great role in the development of understanding other people’s minds is also evidenced in humans. Young human children can reason about desire before they can reason about belief (Wellman 1993), indicating that they more readily understand that which is closer to their direct concerns (understanding belief in that sense may be a later achievement than understanding desire, since desire is about what concerns you in terms of wanting it, whereas belief is about what you know about). They also will offer an experimenter the food they themselves like best (out of two choices), even if the experimenter expressed disgust at it, before they are able to give the experimenter the food which he likes best (even if it is the food they themselves dislike, 14 months and 18 months respectively) (Repacholi and Gopnik 1997). Young children are also better able to indicate knowledge of what someone else knows, the more the test involves them as active participants, rather than as observers of a story played out in front of them, for instance with puppets, and the more the test takes into account their ways of conveying what they know (see O’Neill 1996, and also Donaldson 1978).

The point about the role of one’s interest in or concern for the stimuli as a precondition for successful performance on the experiment is related to a slightly different one about the role of the personal and the subjective in studies of cognition, and even in scientific practice in general. Jack and Roepstorff (2002) argue that subjectivity plays a role at every stage of experimentation, from design to interpretation, whether or not we are aware of it – an idea with precursors in, for instance, the work of Polanyi (1958). However, embedding the role of experience within research practice indeed requires “trusting the subject,” as Jack and Roepstorff put it, instead of exiling the subject from psychology. While experience and subjectivity may be present in every investigation, this is hardly ever made explicit, let alone reflected on, and even less is personal experience in social interactions investigated as such. Even neurophenomenology (Varela 1996, Gallagher 2003) and practical phenomenology (e.g. Depraz et al. 2003) which investigate personal experience, sometimes in intersubjective settings (Petitmengin 2006), don’t generally turn to interactive experience.

However, encouragingly, there is research which does exactly this. The connection between subjectivity and interaction is effectively part of investigations at the intersection between developmental psychology, psychopathology, psychiatry, and psychotherapy. These fields share a concern for development, communication, and mental health, and researchers often span several of these areas in their work. For instance, Reddy’s second-person approach to development and social understanding is steeped in meaningful, personal experience in interactive situations, studied from very early on in ontogeny (Reddy 2008). This allows Reddy to examine humour in infancy and in children with autism or Down’s syndrome (Reddy et al. 2002), or to chronicle very young children’s coyness, and to relate these to the development of self-awareness (Reddy 2000). Another example is Hobson, who argues that emotional interpersonal connections early in development lie at the roots of thinking. He connects this to the hypothesis that disruptions to infants’ engagements with primary caregivers can lead to impaired ways of thinking, for example in autism (Hobson 2002). In this work, interactive experience is at the start and at the heart of it all, and it is investigated as such, allowing for instance Hobson to make distinctions between imitation and identification in autism (Hobson and Lee 1999), and to talk about qualities of relatedness (Hobson and Hobson 2008). Similar themes run through the work of Trevarthen (2009; Trevarthen and Hubley 1978; Delafield-Butt and Trevarthen 2015), Beebe and Lachmann (1998), Tronick (2005), Stern (1985/1998), Fogel (1993), and others (Gratier and Apter-Danon 2009; Leavens et al. 2014; etc.).

Several other related areas of research link engagement, interaction, and personal experience. The study of music, musicality, and music therapy are wonderful conduits for this (Trevarthen 1999; Malloch and Trevarthen 2009; Moran 2011; Krueger 2013). In ecological psychology, the study of interaction dynamics goes together with various ideas about how these dynamics, and language, are infused with and infuse personal and societal meaning (Hodges et al. 2012; Zukow-Goldring 2012; Zlatev 2012; Tylén et al. 2013; McGann 2014). Cowley et al. (2014), for instance, show how in  interactions between mother and infant culturally specific expectations are played out and learned in the mutual regulation of affect and interaction between them. A particular hand-waving gesture by a Zulu mother from South-Africa is taken up by her baby as a request to be silent now. Cowley and colleagues argue that this is culturally specific because the particular fast-paced gesturing of the mother would be experienced as frightening or overwhelming in another culture, and yet the baby becomes quiet, but not afraid or distressed. This becoming quiet or “thula” is an important element of the culture this dyad lives in, and is learnt very early, in lively bodily exchanges.

Intersubjectivity is also crucial to understand psychiatric disorders, ranging from autism (Gipps 2004; Donnellan et al. 2013, De Jaegher 2013), over schizophrenia (Irarrázaval and Sharim 2014; Fuchs 2015; Kyselo in press), or OCD (de Haan et al. 2013), to dementia (Colombetti and Torrance 2009). Therapy studies also tap into – as well as contributing their expertise to – intersubjectivity research across disciplines, from neurophysiotherapy (Øberg et al. 2015), over psychotherapy, to dance-, movement- and music therapy (Schiavio and Altenmüller 2015, Zeiler 2014; Samaritter and Payne 2013). In this way, caring for people with dementia through a phenomenologically inspired music therapy can inspire an intersubjective notion of personhood (Zeiler 2013).

A field where, until recently, it has been notoriously difficult to detect much explicit attention to interaction or subjectivity, is neuroscience. Even social neuroscience often still starts from a conception of the brain as the sole controller of machinations on inputs and outputs (Van Overwalle 2009). But this idea of neural processing directly reifies descriptions of what happens at the personal level into mechanisms at the subpersonal level (Bennett and Hacker 2003), and it is individualistic – thereby foregoing both experience and interaction. An embedded, embodied, enactive idea of the brain, on the contrary, views neural activity as no more than one chain (however crucial it is) in a continual looping with the body and the (overwhelmingly social) environment (Fuchs 2011). Thus, embodied, embedded, and enactive premises promote a very different basis from which to do social neuroscience (Froese 2015). And the field is catching up to these quickly: a number of programmatic papers recently have advocated making interaction and experience mainstays of social neuroscience (Hari and Kujala 2009; Sänger et al. 2011; Di Paolo and De Jaegher 2012; Konvalinka and Roepstorff 2012; Schilbach et al. 2013; Pfeiffer et al. 2014; Hari et al. 2015; De Jaegher et al. forthcoming).

Concomitant with this, the technology for interactive brain research is evolving quickly. It is already possible to scan two people interacting live, through various forms of hyperscanning (see e.g. Dumas et al. 2011; Hasson et al. 2012). An interesting addition to this, as Hari and Kujala (2009) point out, is that social neuroscience should not just focus on the central nervous system (the brain in the head), but also on the autonomic nervous system, i.e. the nerves connecting the brain and physiological, emotional organs like the heart, the lungs, and the skin. Physiological studies of coordination between people in terms of heartbeat (Konvalinka et al. 2011; Fusaroli et al. 2015; Mitkidis et al. 2015), respiration (McFarland 2001; Lande 2007), and touch (Morrisson et al. 2010; Chatel-Goldman et al. 2014) indeed are an interesting way to combine measures of interaction and coordination with elements of subjective experience. These aspects of physiology are closely related to emotion and affect, and forms of hyperscanning could, and perhaps should, in this way be connected to emotional and affective engagement in interactions.

The various kinds of synergies between brains, across many timescales (Dumas et al. 2014) suggest that interactions cannot be simply treated as inputs to an information processing machine, empirically invalidating cognitivist assumptions. Instead, the brain is an organ of and for relating (Fuchs 2009, 2011).

Clearly, things are moving. What we are witnessing are the emergence and the convergence of increasingly interactive-experiential trends in social understanding research. But I think that there is more going on than just turns and trends.

Towards a science of intersubjectivity

The investigations described above could be seen as disparate and unrelated to each other. But I would like to suggest that they are more than just a loose collection with some affinities and compatibilities. To see this, we would need to show a framework that brings them together in a coherent way.

What would be the desiderata of such a framework? A comprehensive framework for an intersubjective turn should take into account the interaction process, and also do justice to subjectivity in its bodily, experiential, existential, and historico-socio-cultural complexity. It needs to be able to relate physiological, neural, coordinative, interactional, linguistic, and socio-cultural phenomena and levels of explanation. It should facilitate collaborations that not only span, but perhaps better even, shun disciplinary boundaries. It should be able to generate hypotheses, evaluate research findings, as well as develop methodologies. It should encourage applications, and seek a dialogue with field experts (people who are not necessarily academics, but who have extensive intersubjective experience, such as teachers and therapists). Finally, an integrative framework should recognize and be explicit about the values underlying it, and thus be aware and critical of its influences for and from societal institutions and norms, and it should have something to say about ethical issues. Are the elements of a theoretical framework for an intersubjective turn here?

Let’s take a look first at interaction processes and subjects. We have seen already that social interactions can take on a life of their own. Interactions can emerge and maintain themselves for a while, regardless of, and even against, the intentions of the individuals. This forms one pillar of the enactive approach to intersubjectivity, in which we speak of a social interaction when two conditions hold: 1) a relational dynamic emerges and maintains itself for a while (i.e. a self-organizing in-between emerges), which 2) does not destroy the autonomy of the invididuals involved in it, though it could descrease or increase their participation (for the full-blown definition and some extensions, see De Jaegher and Di Paolo 2007; De Jaegher et al. 2010; Froese and Di Paolo 2011). In the corridor situation, two people enter into an involuntarily swirl of reciprocal moves, a supra-individual process that can momentarily determine what each person can and cannot do, including their potential to exit it.

On such a conception, interactions form and transform individuals and their intentions, just as individuals form and transform interactions. To think of the interaction process as an effective factor in social understanding means to understand it not just as a contextual or an enabling factor, but also possibly as a  factor constitutive of it. A contextual factor is something that is found to affect a particular phenomenon, to modulate its properties, an enabling factor is necessary for a phenomenon to occur, and a constitutive factor is part of what makes the phenomenon what it is (De Jaegher et al. 2010). If interaction processes can (in part) constitute social understanding, then social understanding is not reducible to individual mechanisms. Thus, in the enactive view, properly reckoning with the interaction process entails a rethinking of cognition or understanding – in general, not just social understanding.

Enactivists understand individual subjects as sense-makers, who enact and engage with their environment in terms of its significance and valence on the basis of their autonomy (Thompson and Stapleton 2009). Sense-makers are autonomous in the sense that they self-organize under precarious circumstances. A sense-maker is sensitive to what is beneficial and what is pernicious for self-maintenance, and capable of adapting to the circumstances in the service of self-organization (Di Paolo 2005). Sense-making is thus always a relation of significance, an adaptive behaviour based in the needs and constraints of a precariously living bodily being in specific circumstances. Subjects are, in consequence, existentially and experientially sensitive, and experience and affectivity are fundamental aspects of enactive cognition (Thompson and Stapleton 2009; Colombetti 2013). Things literally matter to sense-makers.

Social understanding, on such a view, can be understood as the coordination of intentional activities in and through interaction, “whereby individual sense-making processes are affected and new domains of social sense-making can be generated that were not available to each individual on her own” (De Jaegher and Di Paolo 2007, p. 497). Individuals can thus participate in each other’s sense-making. While the idea was first formulated in order to capture ongoing embodied interactions, it turns out to also be useful to describe social understanding in a more general sense (Gallagher 2009; De Jaegher 2009, 2015).

The implications of this for fields like social neuroscience and psychology are considerable. It will not suffice to study what happens to perception and performance in the actual or virtual presence of other people (e.g. Doerrfeld et al. 2012, Schilbach et al. 2006; Rice and Redcay, in press). What is needed is to account for interaction’s role in social understanding and cognition in general. Social skills, for instance will be understood not as something individual, but as partly constituted in interactions and interactional histories between people (McGann and De Jaegher 2009), and social agency as the development of increasingly sophisticated ways to deal with the tensions between individual and interactional autonomies, leading to complex capacities such as self-control and languaging – i.e., genres of participation (Cuffari et al. 2015).

Thus, the enactive framework provides a definition of the social interaction, and an account of various aspects of its phenomenology and organization, in combination with an understanding of individual sense-makers that includes how they participate in social interactions as meaningful encounters.

How about connecting the physiological, neural, coordinative, interactional, linguistic, and socio-cultural levels at play here? It would be hard to show at once that all these aspects are connected, of course, but investigations are being made of how some of them connect. For instance, interesting new work on music pedagogy investigates how the experience of connecting, self-regulation, and interaction dynamics connect to and can transform prevailing societal and cultural views on living and learning (Laroche and Kaddouch 2014; 2015; Van der Schyff 2015; Schiavio and Høffding, in press).

Enaction’s phenomenologically and biologically sensitive logic of how autonomy, emergence, sense-making, embodiment, experience, and the socio-cultural fit together could help to better understand the connections between physiological, neural, coordinative, interactional, linguistic, and socio-cultural elements (Laroche et al. 2014; for examples, see Buhrmann and Di Paolo 2015; Di Paolo under review). In social neuroscience, it may be interesting to find out how the body maps of the subjective experience of emotions (Nummenmaa et al. 2014) and their neural signatures (Saarimäki in press), connect to body maps of where others can touch us (Suvilehto et al. 2015). The development of these two kinds of body maps (Hietanen et al. in press) probably depends on local individual-to-individual interaction patterns, as well as being informed by socio-cultural norms, and on personal experience and bodily habits, sensitivities, and possibilities.

Inherently, the questions at issue here span several disciplines, and one of the threads running through much of enactive research is the elaboration of a conceptual toolbox. An enactive conceptual toolbox can be used for furthering interdisciplinary research in the sense not merely of dialoguing between disciplines, but of intervening in one discipline in the ways of another one, of innovating ways of working and thinking, and generating new empirical paradigms beyond disciplinary boundaries (Callard and Fitzgerald 2015). For this to be successful, it is paramount to have a clear and precise definition of the topic of investigation (whether it is clear at the start, or develops during the study). Only then will it be possible to generate hypotheses about the contributions of various factors, and to say which ones are contextual to the phenomenon, which ones are enabling, and which ones are constitutive of it (De Jaegher et al. 2010; Di Paolo, under review). This conceptual distinction between contextual, enabling, and constitutive factors is a meta-conceptual tool. The enactive concepts are honed for the precise study of how particular physiological, coordinative, neural, linguistic, and socio-cultural elements are at play in different aspects of intersubjectivity. They can be used to generate novel experiments or models, and  to evaluate existing research in terms of whether it can support enactive hypotheses or theories. Whetting these tools happens in ongoing theoretical, experimental and modeling work.

As for dialogue with field experts, the enactive theory of social understanding is being taken up in many different sectors. It is already being used to understand addiction (Zautra 2015), clinical interactions (Øberg et al. 2014), clinical reasoning (Øberg et al. 2015), augmented communication in cerebral palsy (Auer and Hörmeyer 2015), martial arts (Light 2014), literature (Caraciollo 2014; Popova 2014), classroom interactions in higher education (Saiter 2012), and so on.

The ultimate criterion for an integrative framework for intersubjectivity is that it should be able to critically engage with society, and to probe ethical concerns. Enaction is well poised to do this because it foregrounds values as the basis of all sense-making, including world-understanding scientific and philosophical endeavours themselves. Critical and ethical work, for instance, looks at embodied political affect (Protevi 2009), care ethics (Colombetti and Torrance 2009; Urban 2014), organisational culture (Küpers 2014), or subjectivity in the corporate workplace (Slaby 2016).

One important area to develop further is the phenomenological exploration of the experience of interacting and how it informs and is informed by social understanding (Høffding and Martiny in press; Kimmel and Preuschl 2016; De Jaegher et al. under review).

The presence of all these formative elements, together, I think, is the reason why there is such confidence that this is not just a matter of isolated or tentative innovations. It seems that a new approach, an interactive-experiential science of social understanding is visible on the horizon, one that already starting to push past the cognitivist folklore. Participatory sense-making was proposed precisely for this purpose: to be a theoretical framework capable of bringing different elements and levels together, across disciplines, around the notions of coordination, interaction, experience, autonomy, subjectivity, sense-making, affect and embodiment, to better understand intersubjectivity in its various dimensions.

Notes

[1] E.g. “In assuming that other individuals want, think, believe, and the like, one infers states that are not directly observable and one uses these states anticipatorily, to predict the behavior of others as well as one’s own” (Premack and Woodruff 1978, p. 525).
[2] Even to understand anything as a problem, and to be motivated to find a solution for it, you need to have a meaningful relation to the world to begin with.

References

Auer, P. & Hörmeyer, I. (2015). Achieving intersubjectivity in Augmented and Alternative Communication (AAC): Intercorporeal, embodied and disembodied practices. InLiSt – Interaction and Linguistic Structures, 55, April 2015, http://www.inlist.uni-bayreuth.de/issues/55/index.htm.
Bard, K. A., Bakeman, R., Boysen, S. T. & Leavens, D. A. (2014). Emotional engagements predict and enhance social cognition in young chimpanzees. Developmental Science, 17, 682-696. DOI: 10.1111/desc.12145.
Beebe, B. & Lachmann, F. M. (1998). Co-constructing inner and relational processes. Self- and mutual regulation in infant research and adult treatment. Psychoanalytic Psychology, 15, 480-516.
Bender, A., Beller, S. & Medin, D. L. (2012). Turning tides: Prospects for more diversity in cognitive science. Topics in Cognitive Science, 4, 462-466. DOI: 10.1111/j.1756-8765.2012.01202.x.
Beller, S. & Bender, A. (2015). Exploring Cognitive Diversity: Anthropological Perspectives on Cognition. Topics in Cognitive Science, 7, 548-551. DOI: 10.1111/tops.12160.
Bennett, M. R. & Hacker, P. M. S. (2003). Philosophical Foundations of Neuroscience, Oxford, Blackwell.
Boden, M. (2006). Of islands and interactions. Journal of Consciousness Studies, 13, 53-63.
Bohl, V. & Van Den Bos, W. (2012). Towards an integrative account of social cognition: marrying theory of mind and interactionism to study the interplay of Type 1 and Type 2 processes. Frontiers in Human Neuroscience, 6. DOI: 10.3389/fnhum.2012.00274.
Buhrmann, T. & Di Paolo, E. (2015). The sense of agency – a phenomenological consequence of enacting sensorimotor schemes. 1-30. DOI: 10.1007/s11097-015-9446-7.
Bruner, J. (1990). Acts of Meaning, Cambridge, MA, Harvard University Press.
Callard, F. & Fitzgerald, D. (2015). Rethinking Interdisciplinarity across the Social Sciences and Neurosciences, London, Palgrave MacMillan.
Caracciolo, M. (2014). The Experientiality of Narrative. An Enactivist Approach, Berlin, De Gruyter.
Chatel-Goldman, J., Congedo, M., Jutten, C. & Schwartz, J.-L. (2014). Touch increases autonomic coupling between romantic partners. Frontiers in Behavioral Neuroscience, 8. DOI: 10.3389/fnbeh.2014.00095.
Colombetti, G. (2013). The Feeling Body: Affective Science Meets the Enactive Mind, Cambridge, MA, MIT Press.
Colombetti, G. & Torrance, S. (2009). Emotion and ethics: An inter-(en)active approach. Phenomenology and the Cognitive Sciences, 8, 505-526.
Cowley, S. J., Moodley, S. & Fiori-Cowley, A. (2004). Grounding signs of culture: primary intersubjectivity in social semiosis. Mind, Culture and Activity, 11, 109-132.
Cuffari, E., Di Paolo, E. & De Jaegher, H. (2015). From participatory sense-making to language: There and back again. Phenomenology and the Cognitive Sciences, 14, 1089-1125. DOI: 10.1007/s11097-014-9404-9.
de Haan, S., Rietveld, E., Stokhof, M. & Denys, D. (2013). The phenomenology of Deep Brain Stimulation-induced changes in OCD: An enactive affordance-based model. Frontiers in Human Neuroscience, 7. DOI: 10.3389/fnhum.2013.00653.
De Jaegher, H. (2009). Social understanding through direct perception? Yes, by interacting. Consciousness and Cognition, 18, 535-542. DOI: 10.1016/j.concog.2008.10.007
De Jaegher, H. (2013). Embodiment and sense-making in autism. Frontiers in Integrative Neuroscience, 7, 15. DOI: 10.3389/fnint.2013.00015.
De Jaegher, H. (2015). How we affect each other. Michel Henry’s ‘pathos-with’ and the enactive approach to intersubjectivity. Journal of Consciousness Studies, 22, 112-132.
De Jaegher, H. & Di Paolo, E. (2007). Participatory Sense-Making: An enactive approach to social cognition. Phenomenology and the Cognitive Sciences, 6, 485-507. DOI: DOI 10.1007/s11097-007-9076-9.
De Jaegher, H., Di Paolo, E. & Adolphs, R. (forthcoming). What does the Interactive Brain Hypothesis mean for Social Neuroscience? A dialogue. Philosophical Transactions of the Royal Society B-Biological Sciences.
De Jaegher, H., Di Paolo, E. A. & Gallagher, S. (2010). Can social interaction constitute social cognition? Trends in Cognitive Sciences, 14, 441-447. DOI: doi:10.1016/j.tics.2010.06.009.
De Jaegher, H., Peräkylä, A. & Stevanovic, M. (under review). The co-creation of meaningful action: Bridging enaction and interactional sociology. Philosophical Transactions of the Royal Society B-Biological Sciences.
De Jaegher, H., Pieper, B., Clénin, D. & Fuchs, T. (under review). Grasping intersubjectivity: An invitation to embody social interaction research.
Delafield-Butt, J. T. & Trevarthen, C. (2015). The ontogenesis of narrative: From purposeful movements to shared meaning-making. Frontiers in Psychology, 6. DOI: 10.3389/fpsyg.2015.01157.
Di Paolo, E. A. (2005). Autopoiesis, adaptivity, teleology, agency. Phenomenology and the Cognitive Sciences, 4, 97-125.
Di Paolo, E. A. (2009). Extended life. Topoi, 28, 9-21.
Di Paolo, E. (under review). Participatory Object Perception.
Di Paolo, E. A. & De Jaegher, H. (2012). The Interactive Brain Hypothesis. Frontiers in Human Neuroscience, 6. DOI: 10.3389/fnhum.2012.00163.
Di Paolo, E. & De Jaegher, H. (in press). Neither individualistic, nor interactionist. In: Durt, C., Fuchs, T. & Tewes, C. (eds.) Embodiment, Enaction, and Culture—Investigating the Constitution of the Shared World. Cambridge, MA: MIT Press.
Doerrfeld, A., Sebanz, N. & Shiffrar, M. (2012). Expecting to lift a box together makes the load look lighter. Psychological Research, 76, 467-475.
Donaldson, M. (1978). Children’s Minds, London, Fontana.
Donnellan, A., Hill, D. A. & Leary, M. R. (2013). Rethinking autism: implications of sensory and movement differences for understanding and support. Frontiers in Integrative Neuroscience, 6. DOI: 10.3389/fnint.2012.00124.
Dreyfus, H. L. (1992). What Computers Still Can’t Do, Cambridge, MA, MIT Press.
Dumas, G., Lachat, F., Martinerie, J., Nadel, J. & George, N. (2011). From social behaviour to brain synchronization: Review and perspectives in hyperscanning. IRBM, 32, 48-53. DOI: http://dx.doi.org/10.1016/j.irbm.2011.01.002.
Fogel, A. (1993). Developing through relationships: Origins of communication, self and culture, London, Harvester Wheatsheaf.
Froese, T. (2015). Enactive neuroscience, the direct perception hypothesis, and the socially extended mind. Behavioral and Brain Sciences, 38, 22-24.
Froese, T. & Di Paolo, E. (2009). Sociality and the life–mind continuity thesis. Phenomenology and the Cognitive Sciences, 8, 439-463.
Froese, T. & Di Paolo, E. A. (2011). The enactive approach: Theoretical sketches from cell to society. Pragmatics & Cognition, 19, 1-36.
Fuchs, T. (2008). Das Gehirn – ein Beziehungsorgan. Eine Phänomenologisch-Ökologische Konzeption, Stuttgart, Kohlhammer.
Fuchs, T. (2011). The brain – A mediating organ. Journal of Consciousness Studies, 18, 196-221.
Fuchs, T. (2015). Pathologies of intersubjectivity in autism and schizophrenia. Journal of Consciousness Studies, 22, 191-214.
Fusaroli, R., Bjørndahl, J. S., Roepstoff, A. & Tylén, K. (2015). A Heart for Interaction: Physiological Entrainment and Behavioral Coordination in a Collective, Creative Construction Task. arXiv preprint arXiv:1504.05750.
Gallagher, S. (2001). The practice of mind: theory, simulation or primary interaction? Journal of Consciousness Studies, 8, 83-108.
Gallagher, S. (2003). Phenomenology and experimental design. Toward a phenomenologically enlightened experimental science. Journal of Consciousness Studies, 10, 85-99.
Gallagher, S. (2009). Two problems of intersubjectivity. Journal of Consciousness Studies, 16, 298-308.
Gallagher, S. (2012). In defense of phenomenological approaches to social cognition: Interacting with the critics. Review of Philosophy and Psychology, 3, 187-212.
Gendlin, E. T. (1962/1997). Experience and the Creation of Meaning: A Philosophical and Psychological Approach to the Subjective, Evanston, IL, Northwestern University Press.
Gill, S. (2015). Tacit Engagement: Beyond Interaction, Heidelberg, Springer.
Gipps, R. (2004). Autism and intersubjectivity: beyond cognitivism and the theory of mind. Philosophy, Psychiatry and Psychology, 11, 195-198.
Granic, I. (2000). The self-organization of parent-child relations: beyond bidirectional models. In: Lewis, M. D. & Granic, I. (eds.) Emotion, Development, and Self-Organization. Dynamic Systems Approaches to Emotional Development. Cambridge: Cambridge University Press.
Gratier, M. & Apter-Danon, G. (2009). The improvised musicality of belonging: Repetition and variation in mother-infant vocal interaction. In: Malloch, S. & Trevarthen, C. (eds.) Communicative musicality: Exploring the basis of human companionship. Oxford: Oxford University Press.
Hari, R., Henriksson, L., Malinen, S. & Parkkonen, L. (2015). Centrality of Social Interaction in Human Brain Function. Neuron, 88, 181-193. DOI: http://dx.doi.org/10.1016/j.neuron.2015.09.022.
Hari, R. & Kujala, M. V. (2009). Brain basis of human social interaction: From concepts to brain imaging. Physiological Reviews, 89, 453-479.
Hasson, U., Ghazanfar, A. A., Galantucci, B., Garrod, S. & Keysers, C. (2012). Brain-to-brain coupling: a mechanism for creating and sharing a social world. Trends in Cognitive Sciences, 16, 114-121. DOI: http://dx.doi.org/10.1016/j.tics.2011.12.007.
Hietanen, J. K., Glerean, E., Hari, R. & Nummenmaa, L. (in press). Bodily maps of emotions across child development. Developmental Science.
Hobson, R. P. (2002). The Cradle of Thought, London, Macmillan.
Hobson, R. P. & Hobson, J. A. (2008). Engaging, sharing, knowing. Some lessons from research in autism. In: Zlatev, J., Racine, T. P., Sinha, C. & Itkonen, E. (eds.) The Shared Mind. Perspectives on Intersubjectivity. Amsterdam: John Benjamins.
Hobson, R. P. & Lee, A. (1999). Imitation and identification in autism. Journal of Child Psychology and Psychiatry, 40, 649-659.
Hodges, B. H., Steffensen, S. V. & Martin, J. E. (2012). Caring, conversing, and realizing values: new directions in language studies. Language Sciences, 34, 499-506.
Hutchins, E. (1995). Cognition in the Wild, Cambridge, MA, MIT Press.
Hutto, D. D. (2004). The limits of spectatorial folk psychology. Mind and Language, 19, 548-573.
Irarrázaval, L. & Sharim, D. (2014). Intersubjectivity in schizophrenia: Life story analysis of three cases. Frontiers in Psychology, 5. DOI: 10.3389/fpsyg.2014.00100.
Jack, A. I. & Roepstorff, A. (2002). Introspection and cognitive brain mapping: from stimulus–response to script–report. Trends in Cognitive Sciences, 6, 333-339. DOI: http://dx.doi.org/10.1016/S1364-6613(02)01941-1.
Jensen, T. W. & Cuffari, E. (2014). Doubleness in experience: Toward a distributed enactive approach to metaphoricity. Metaphor and Symbol, 29, 278-297. DOI: 10.1080/10926488.2014.948798.
Johnson, M. (2007). The Meaning of the Body. Aesthetics of Human Understanding, Chicago, University of Chicago Press.
Jonas, H. (1966). The Phenomenon of Life. Toward a Philosophical Biology, Evanston, Illinois, Northwestern University Press.
Kendon, A. (1972). Some relationships between body motion and speech. In: Seigman, A. W. & Pope, B. (eds.) Studies in Dyadic Communication. Elmsford, NY: Pergamon Press.
Kendon, A. (1990). Conducting Interaction: Patterns of Behavior in Focused Encounters, Cambridge, Cambridge University Press.
Kimmel, M. & Preuschl, E. (2016). Dynamic Coordination Patterns in Tango Argentino: A Cross-Fertilization of Subjective Explication Methods and Motion Capture. In: Laumond, J.-P. & Abe, N. (eds.) Dance Notations and Robot Motion. Springer International Publishing.
Konvalinka, I. & Roepstorff, A. (2012). The two-brain approach: how can mutually interacting brains teach us something about social interaction? Frontiers in Human Neuroscience, 6, 215. DOI: 10.3389/fnhum.2012.00215.
Konvalinka, I., Xygalatas, D., Bulbulia, J. et al. (2011). Synchronized arousal between performers and related spectators in a fire-walking ritual. Proceedings of the National Academy of Sciences, 108, 8514-8519. DOI: 10.1073/pnas.1016955108.
Krueger, J. (2013). Empathy, enaction, and shared musical experience. In: Cochrane, T., Fantini, B. & Scherer, K. R. (eds.) The Emotional Power of Music: Multidisciplinary Perspectives on Musical Expression, Arousal and Social Control. Oxford: Oxford University Press.
Küpers, W. (2014). Embodied Inter-Affection in and beyond Organizational Life-Worlds. Critical Horizons: A Journal of Philosophy & Social Theory, 15, 150-178.
Kyselo, M. (in press). The enactive approach and disorders of the self – the case of schizophrenia. Phenomenology and the Cognitive Sciences.
Lande, B. (2007). Breathing like a soldier: Culture incarnate. The Sociological Review, 55, 95-108.
Laroche, J., Berardi, A.-M. & Brangier, E. (2014). Embodiment of intersubjective time: relational dynamics as attractors in the temporal coordination of interpersonal behaviors and experiences. Frontiers in Psychology, 5. DOI: 10.3389/fpsyg.2014.01180.
Laroche, J. & Kaddouch, I. (2014). Enacting teaching and learning in the interaction process: “Keys” for developing skills in piano lessons through four-hand improvisations. Journal of Pedagogy, 5, 24-47.
Laroche, J. & Kaddouch, I. (2015). Spontaneous preferences and core tastes: embodied musical personality and dynamics of interaction in a pedagogical method of improvisation. Frontiers in Psychology, 6. DOI: 10.3389/fpsyg.2015.00522.
Leavens, D. A., Sansone, J., Burfield, A. et al. (2014). Putting the ‘Joy’ in Joint Attention: Affective-Gestural Synchrony by Parents who Point for their Babies. Frontiers in Psychology, 5. DOI: 10.3389/fpsyg.2014.00879.
Light, R. L. (2014). Mushin and learning in and beyond budo. Ido Movement for Culture. Journal of Martial Arts Anthropology, 14, 42-48.
Malinverni, L. & Parés Burguès, N. (Year) Published. The medium matters: the impact of full-body interaction on the socio-affective aspects of collaboration.  IDC ’15: Proceedings of the 14th International Conference on Interaction Design and Children, 2015. 89-98.
Malloch, S. & Trevarthen, C. (eds.) (2009). Communicative Musicality: Exploring the Basis of Human Companionship, Oxford: Oxford University Press.
McFarland, D. H. (2001). Respiratory markers of conversational interaction. Journal of Speech, Language, and Hearing Research, 44, 128-143. DOI: 10.1044/1092-4388(2001/012).
McGann, M. (2014). Enacting a social ecology: radically embodied intersubjectivity. Frontiers in Psychology, 5. DOI: 10.3389/fpsyg.2014.01321.
Mcgann, M. & De Jaegher, H. (2009). Self-Other Contingencies: Enacting Social Perception. Phenomenology and the Cognitive Sciences, 8, 417-437. DOI: 10.1007/s11097-009-9141-7.
McGann, M., De Jaegher, H. & Di Paolo, E. A. (2013). Enaction and psychology. Review of General Psychology, 17, 203-209. DOI: 10.1037/a0032935.
Merleau-Ponty, M. (1945/2012). Phenomenology of Perception, London, Routledge.
Meyer, C., Streeck, J. & Jordan, J. (2015). Intercorporeality: Emerging Socialities in Interaction. An introduction C. Meyer, J. Streeck, S. Jordan (Eds.), Intercorporeality: Beyond the body, Oxford University Press, Oxford.
Mitkidis, P., McGraw, J. J., Roepstorff, A. & Wallot, S. (2015). Building trust: Heart rate synchrony and arousal during joint action increased by public goods game. Physiology & Behavior, 149, 101-106. DOI: http://dx.doi.org/10.1016/j.physbeh.2015.05.033.
Moran, N. (2011). Music, bodies and relationships: An ethnographic contribution to embodied cognition studies. Psychology of Music. DOI: 10.1177/0305735611400174.
Morrison, I., Löken, L. S. & Olausson, H. (2010). The skin as a social organ. Experimental Brain Research, 204, 305-314.
Nummenmaa, L., Glerean, E., Hari, R. & Hietanen, J. K. (2014). Bodily maps of emotions. Proceedings of the National Academy of Sciences, 111, 646-651.
Øberg, G. K., Blanchard, Y. & Obstfelder, A. (2014). Therapeutic encounters with preterm infants: interaction, posture and movement. Physiotherapy Theory and Practice, 30, 1-5.
Øberg, G. K., Normann, B. & Gallagher, S. (2015). Embodied-enactive clinical reasoning in physical therapy. Physiotherapy Theory and Practice, 1-9. DOI: 10.3109/09593985.2014.1002873.
O’Neill, D. K. (1996). Two-year-old children’s sensitivity to a parent’s knowledge state when making requests. Child Development, 67, 659-677.
Overgaard, S. & Michael, J. (2013). The interactive turn in social cognition research: A critique. Philosophical Psychology, 1-24.
Petitmengin, C. (2006 ). Describing one’s subjective experience in the second person: An interview method for the science of consciousness. Phenomenology and the Cognitive Sciences, 5, 229-269. DOI: 10.1007/s11097-006-9022-2.
Pfeiffer, U. J., Schilbach, L., Timmermans, B. et al. (2014). Why we interact: On the functional role of the striatum in the subjective experience of social interaction. NeuroImage, 101, 124-137.
Polanyi, M. (1958). Personal Knowledge. Towards a Post Critical reddEpistemology, London, Routledge and Kegan Paul.
Popova, Y. B. (2014). Narrativity and Enaction: The Social Nature of Literary Narrative Understanding. Frontiers in Psychology, 5. DOI: 10.3389/fpsyg.2014.00895.
Premack, D. & Woodruff, G. (1978). Does the chimpanzee have a theory of mind? Behavioral and Brain Sciences, 4, 515-526.
Ratcliffe, M. (2007). Rethinking Commonsense Psychology: A Critique of Folk Psychology, Theory of Mind and Simulation, Hampshire/New York, Palgrave Macmillan.
Reddy, V. (2000). Coyness in early infancy. Developmental Science, 3, 186-192.
Reddy, V. (2008). How Infants Know Minds, Cambridge, MA, Harvard University Press.
Reddy, V. (2012). Moving others matters. In: Foolen, A., Lüdtke, U., Racine, T. P. & Zlatev, J. (eds.) Moving Ourselves, Moving Others: Motion and Emotion in Intersubjecitivity, Consciousness, and Language. Amsterdam: John Benjamins.
Reddy, V. & Morris, P. (2004). Participants don’t need theories: Knowing minds in engagement. Theory & Psychology, 14, 647-665.
Reddy, V., Williams, E. & Vaughan, A. (2002). Sharing humour and laughter in autism and Down’s syndrome. British Journal of Psychology, 93, 219-242.
Repacholi, B. M. & Gopnik, A. (1997). Early reasoning about desires: evidence from 14-and 18-month-olds. Developmental Psychology, 33, 12.
Rice, K., & Redcay, E. (in press). Interaction matters: A perceived social partner alters the neural processing of human speech. NeuroImage.
Saarimäki, H., Gotsopoulos, A., Jääskeläinen, I. et al. (in press). Discrete neural signatures of basic emotions. Cerebral Cortex.
Saiter, S. M. A. (2012). Participatory reality-constitution: A phenomenological study of generative experiences in higher education classrooms. D.Phil., Palo Alto.
Samaritter, R. & Payne, H. (2013). Kinaesthetic intersubjectivity: A dance informed contribution to self-other relatedness and shared experience in non-verbal psychotherapy with an example from autism. The Arts in Psychotherapy, 40, 143-150. DOI: http://dx.doi.org/10.1016/j.aip.2012.12.004.
Sänger, J., Lindenberger, U. & Mïller, V. (2011). Interactive brains, social minds. Communicative & integrative biology, 4, 655-663.
Satne, G. & Roepstoff, A. (2015). Introduction: From interacting agents to engaging persons. Journal of Consciousness Studies, 22, 9-23.
Schiavio, A. & Altenmüller, E. (2015). Exploring music-based rehabilitation for parkinsonism through embodied cognitive science. Frontiers in Neurology, 6. DOI: 10.3389/fneur.2015.00217.
Schiavio, A. & Høffding, S. (in press). Playing together without communicating? A pre-reflective and enactive account of joint musical performance. Musicae Scientiae.
Schilbach, L., Timmermans, B., Reddy, V. et al. (2013). Towards a second-person neuroscience. Behavioral and Brain Sciences, 36, 393-462.
Schilbach, L., Wohlschlaeger, A. M., Kraemer, N. C. et al. (2006). Being with virtual others: Neural correlates of social interaction. Neuropsychologia, 44, 718-730.
Sheets-Johnstone, M. (1999). The Primacy of Movement, Amsterdam, John Benjamins.
Sheets-Johnstone, M. (2009). Animation: The fundamental, essential, and properly descriptive concept. Continental Philosophy Review, 42, 375-400.
Slaby, J. (2016). Mind invasion: situated affectivity and the corporate life hack. Frontiers in Psychology, 7.
Stern, D. N. (1985/1998). The Interpersonal World of the Infant: A View from Psychoanalysis and Developmental Psychology, New York, Basic Books.
Streeck, J., Goodwin, C. & Lebaron, C. (2011). Embodied interaction in a material world: An introduction. In: Streeck, J., Goodwin, C. & Lebaron, C. (eds.) Embodied Interaction: Language and Body in the Material World. Cambridge: Cambridge University Press.
Suvilehto, J. T., Glerean, E., Dunbar, R. I., Hari, R. & Nummenmaa, L. (2015). Topography of social touching depends on emotional bonds between humans. Proceedings of the National Academy of Sciences, 112, 13817-13822.
Szanto, T., & Moran, D. (2015). Phenomenological Discoveries Concerning the ‘We’: Mapping the Terrain. In T. Szanto & D. Moran (Eds.), Phenomenology of Sociality: Discovering the ‘We’. London: Routledge.
Thompson, E. (2001). Empathy and Consciousness. Journal of Consciousness Studies, 8, 1-32.
Thompson, E. (2005). Empathy and human experience. In: Proctor, J. (ed.) Science, Religion, and the Human Experience. New York: Oxford University Press.
Thompson, E. (2007). Mind in Life: Biology, Phenomenology, and the Sciences of Mind, Cambridge, MA, Harvard University Press.
Thompson, E. & Stapleton, M. (2009). Making sense of sense-making: Reflections on enactive and extended mind theories. Topoi, 28, 23-30.
Trevarthen, C. (1999). Musicality and the Intrinsic Motive Pulse: Evidence from human psychobiology and infant communication. Musicae scientiae, Special Issue 1999-2000, 155-215.
Trevarthen, C. (2009). The Intersubjective Psychobiology of Human Meaning: Learning of Culture Depends on Interest for Co-Operative Practical Work–and Affection for the Joyful Art of Good Company. Psychoanalytic Dialogues, 19, 507-518. DOI: 10.1080/10481880903231894.
Trevarthen, C. & Hubley, P. (1978). Secondary intersubjectivity: confidence, confiding and acts of meaning in the first year. In: Lock, A. (ed.) Action, Gesture and Symbol: The Emergence of language London: Academic.
Tronick, E. Z. (2005). Why is connection with others so critical? The formation of dyadic states of consciousness and the expansion of individuals’ states of consciousness: coherence governed selection and the co-creation of meaning out of messy meaning making. In: Nadel, J. & Muir, D. (eds.) Emotional Development. Oxford: Oxford University Press.
Tylén, K., Fusaroli, R., Bundgaard, P. F. & Østergaard, S. (2013). Making sense together: A dynamical account of linguistic meaning-making. Semiotica, 2013, 39-62.
Urban, P. (2014). Toward an expansion of an enactive ethics with the help of care ethics. Frontiers in Psychology, 5. DOI: 10.3389/fpsyg.2014.01354.
Van Der Schyff, D. (2015). Music as a Manifestation of Life: Exploring Enactivism and the ‘Eastern Perspective’ for Music Education. Frontiers in Psychology, 6. DOI: 10.3389/fpsyg.2015.00345.
Van Overwalle, F. (2009). Social cognition and the brain: A meta-analysis. Human Brain Mapping, 30, 829-858.
Varela, F. J. (1996). Neurophenomenology: A methodological remedy for the hard problem. Journal of Consciousness Studies, 3, 330-349.
Varela, F. J., Thompson, E. & Rosch, E. (1991). The Embodied Mind: Cognitive Science and Human Experience, Cambridge, MA, MIT Press.
Wellman, H. M. (1993). Early understanding of mind: The normal case. In: Baron-Cohen, S., Tager-Flusberg, H. & Cohen, D. J. (eds.) Understanding other minds: Perspectives from autism. Oxford: Oxford University Press.
Zukow-Goldring, P. (2012). Assisted imitation: first steps in the seed model of language development. Language Sciences, 34, 569-582.
Zahavi, D. (2001). Beyond empathy. Phenomenological approaches to intersubjectivity. Journal of Consciousness Studies, 8, 151-167.
Zahavi, D. (2011). Empathy and direct social perception: A phenomenological proposal. Review of Philosophy and Psychology, 2, 541-558.
Zautra, N. (2015). Embodiment, interaction, and experience: Toward a comprehensive model in addiction science. Philosophy of Science, 82, 1023–1034.
Zeiler, K. (2014). A philosophical defense of the idea that we can hold each other in personhood: intercorporeal personhood in dementia care. Medicine, Health Care and Philosophy, 17, 131-141.
Zlatev, J. (2012). Prologue: Bodily motion, emotion and mind science. In: Foolen, A., Lüdtke, U., Racine, T. P. & Zlatev, J. (eds.) Moving Ourselves, Moving Others: Motion and Emotion in Intersubjectivity, Consciousness and language. Amsterdam/Philadelphia: John Benjamins.

How we affect each other

The social interaction processes we engage in can affect the core of our self-constitution, because the intimate relations between intercorporeality and personal experience can reach deep levels of bodily affection.

And so, in and through social interaction, we can truly affect each other.

De Jaegher, H (2015). How we affect each other. Michel Henry’s “pathos-with” and the enactive approach to intersubjectivity. Journal of Consciousness Studies, 21(1-2), 112-132.

 

How we affect each other

 

 

 

 

 

Video Introduction to Participatory Sense-making

In March 2015, I presented an introduction to participatory sense-making at the integrative science symposium on Making sense: society, culture and meaning systems, at the inaugural International Convention of Psychological Science, organized by the APS (Association for Psychological Science) in Amsterdam.

The session was organized by Gün Semin, and the other speakers were Shihui Han, Benjamin K. Bergen, and Elinor Ochs.

“Trends in Social Cognition and Neurophenomenology” (video report)

A video report from the symposium: “Tendencias actuales en cognición social y neurofenomenología

Symposium organizers: Prof. Otto Dörr and Dr. Leonor Irarrázaval
Centro de Estudios de Fenomenología y Psiquiatría
Universidad Diego Postales, Santiago de Chile,
24 October 2014
Symposium Programme

How to understand our interactions with social institutions?

Will cognitivist, functionalist theories of mind be able to capture how we interact with institutions?

In this paper, I argue that they cannot. I propose that functionalism is inherently restricted to dealing with rule-based, hierarchical structures, and cannot deal with the democratic, fluid, embodied, and horizontal aspects of society.

The paper puts Carol Gilligan’s work in developmental and cultural psychology in a critical conversation with Shaun Gallagher’s work in the philosophy of mind, to argue that we need an enactive approach to social interaction to account for the full complexity of our interactions with social institutions. I think Gilligan’s work is of interest to cognitive scientists and philosophers of mind because of the connection she makes between certain societal structures and aspects of human psychology. The division between patriarchy and democracy (anthropological terms as described by her) and that between aspects of human psychology that Gilligan associates with each societal structure, seem to resonate with a division between cognition defined functionally, and cognition defined as meaning-for-a-subject rooted in his or her self-organization, embodiment, context, affect, and experience. Just like patriarchy and democracy, and mind, body, self, relation, affect, experience, and reason are difficult to disentangle in practice, so it is hard to maintain a functionalist understanding without understanding the underlying fluidity—the resistance, the messy meaning-making, the gurgling underbelly of society and mind. On the enactive view, in society as well as in psychology, there exist both patriarchal and democratic tendencies. These categories are not opposites, but lie on a spectrum, and are often intricately intertwined.

The framework of participatory sense-making can capture this spectrum and this interrelation, because it views individuals as essentially related and at the same time as self-organizing, self-maintaining, and in this sense distinct subjects. This is why I have proposed in this paper that enaction can best deal with this complex picture, better than a piece-wise combination of the extended mind view and enaction.

Talk at the opening of the Interacting Minds Centre, Aarhus 24/08

The Interacting Minds project at Aarhus University is being turned into the Interacting Minds Centre, a new interdisciplinary initiative (2012-2016). This will be celebrated on the 24th of August with a workshop. Other speakers: Günther Knoblich, Natalie Sebanz, Jakob Hohwy, Stefan Beck, David Dreyer Lassen, Dan Zahavi.

I will talk about the Interactive Brain Hypothesis.

The Interactive Brain Hypothesis

A new paper is now available exploring the implications of participatory sense-making for social neuroscience.

The Interactive Brain Hypothesis

Ezequiel Di Paolo & Hanne De Jaegher

Abstract. Enactive approaches foreground the role of interpersonal interaction in explanations of social understanding. This motivates, in combination with a recent interest in neuroscientific studies involving actual interactions, the question of how interactive processes relate to neural mechanisms involved in social understanding. We introduce the Interactive Brain Hypothesis (IBH) in order to help map the spectrum of possible relations between social interaction and neural processes. The hypothesis states that interactive experience and skills play enabling roles in both the development and current function of social brain mechanisms, even in cases where social understanding happens in the absence of immediate interaction. We examine the plausibility of this hypothesis against developmental and neurobiological evidence and contrast it with the widespread assumption that mindreading is crucial to all social cognition. We describe the elements of social interaction that bear most directly on this hypothesis and discuss the empirical possibilities open to social neuroscience. We propose that the link between coordination dynamics and social understanding can be best grasped by studying transitions between states of coordination. These transitions form part of the self-organization of interaction processes that characterize the dynamics of social engagement. The patterns and synergies of this self-organization help explain how individuals understand each other. Various possibilities for role-taking emerge during interaction, determining a spectrum of participation. This view contrasts sharply with the observational stance that has guided research in social neuroscience until recently. We also introduce the concept of readiness to interact to describe the practices and dispositions that are summoned in situations of social significance (even if not interactive). This latter idea links interactive factors to more classical observational scenarios.

Download your free PDF here:

http://www.frontiersin.org/Human_Neuroscience/10.3389/fnhum.2012.00163/abstract

Citation:

Di Paolo E and De Jaegher H (2012) The interactive brain hypothesis. Front. Hum. Neurosci. 6:163. doi:10.3389/fnhum.2012.00163

Blog at WordPress.com.

Up ↑